« terug naar overzicht

Visie van Arbeidsinspectie op laadklepkeuringen

In de Arbeidsomstandighedenwet is neergelegd dat de werkgever er zorg voor dient te dragen dat arbeidsmiddelen in goede staat van onderhoud verkeren zodat deze geen gevaar veroorzaken. In de verplichte risico-inventarisatie (RI&E) en het bijbehorende plan van aanpak (PvA) hoort vastgelegd te zijn met welke frequentie, omvang en diepgang een keuring aan een arbeidsmiddel plaats moet vinden. De RI&E en het PvA moet worden getoetst door een gecertificeerde arbodienst alvorens tot uitvoering ervan wordt overgegaan.

Over het algemeen dienen arbeidsmiddelen vr en tijdens gebruik onderworpen te worden aan een beoordeling door de gebruiker. Een regelmatige inspectie (ten minste jaarlijks) wordt verricht door deskundige, terwijl periodiek een keuring wordt uitgevoerd door een vakbekwaam persoon eventueel gevolgd door een beproeving. Onderhoud en keuringen worden uitgevoerd door een deskundig natuurlijk persoon, rechtspersoon of instelling. De keuringsinstellingen dienen er zorg voor te dragen dat degene die hierbij of hiervoor wordt ingeschakeld ter zake deskundig is en blijft. Het deskundigheidsniveau van de betrokken medewerker is mede afhankelijk van het oordeel dat uitgesproken moet worden over het wel of niet blijven gebruiken van het arbeidsmiddel. Tevens moet er kennis zijn van afkeurcriteria en afkeurmaatstaven alsmede inzicht in en de ervaring met de gebruiksomstandigheden.

Het controleren van het arbeidsmiddel vindt plaats aan de hand van een lijst met inspectiepunten. Deze lijst omvat keuringseisen en is samen te stellen uit het Arbobesluit, de Arboregeling, de Beleidsregels en/of normbladen die van toepassing zijn. De uiteindelijke punten voor inspectie worden bepaald op basis van risicobeoordelingformulieren conform NEN-EN 1050.

De deskundigheid van de keurende organisatie, de geformaliseerde werkmethode en de verifieerbare werkwijze geeft de eigenaar/gebruiker van het arbeidsmiddel een zekere mate van rechtszekerheid omtrent de kwaliteit van de uitgevoerde keuring. De civielrechtelijke aansprakelijkheid van de keurende instelling komt hiermee vast te liggen.

In het arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit artikel 7.4a. keuringen) staat vermeld dat een arbeidsmiddel, dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties, zo dikwijls dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk wordt geacht wordt gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd. Op bovenvermelde wijze kan door de werkgever voor zijn arbeidsmiddelen invulling gegeven worden aan dit voorschrift.

Schriftelijke bewijsstukken van de uitgevoerde keuringen/beproevingen zijn op de arbeidsplaats beschikbaar en worden desgevraagd getoond aan een toezichthoudende ambtenaar.

Het bovenstaande is onder andere van toepassing op hydraulische laadkleppen.

Voor een aantal arbeidsmiddelen, bijvoorbeeld kranen van een bepaalde categorie, liften, containers, stoomapparatuur en damptoestellen is ten aanzien van het keuren nadere invulling gegeven aan de deskundigheid. Door de overheid (ministerie SZW) zijn hier instanties voor aangewezen die de desbetreffende keuring verrichten en vervolgens een certificaat mogen afgeven. Deze aangewezen keuringsinstanties moeten hierbij dus worden ingeschakeld.

Bij vaststelling van het ontbreken van periodiek onderhoud of van onvolledig uitgevoerde keuringen door bijvoorbeeld het toepassen van een ondeugdelijke inspectiepuntenlijst of onvoldoende kennis en vakbekwaamheid van de uitvoerder kan de Arbeidsinspectie overgaan tot het inzetten van een handhavingstraject in verband met het niet naleven van de wettelijke voorschriften.